Waarom Heer?

De laatste jaren valt het mij op hoe zwaar wijzelf en iedereen om ons heen gebukt gaat onder allerlei ellende, van ziektes, geestelijke moeite, financiële problemen, en al het andere wat ons overkomt. We weten wel dat God ons beloofd heeft dat het moeilijk en zwaar zou zijn hier op aarde, maar we raken uitgeput, uitgeblust en misschien wel onzeker. Stiekem besluipt ons af en toe de vraag die zo menselijk is:

De vraag: Waarom Heer?
Waarom zo zwaar, waarom zo veel, waarom zo pijnlijk?

Ja, we mogen steunen op het voorbeeld dat God ons gaf in Zijn Zoon, we mogen kracht en troost putten uit de woorden van God waarin Hij belooft ons niet los te laten, ons niet alleen te laten en ons niet te laten overweldigen. Maar de vraag blijft hangen.

Waarom Heer?

En we weten het waarom eigenlijk wel, maar soms moeten we onszelf er even weer aan herinneren. Er zijn twee antwoorden op het waarom.

Het eerste antwoord is eenvoudig; Waarom kennen we moeiten zoals ziekten en dood? Simpelweg omdat het onze eigen schuld is. En let op: Ik zeg bewust onze eigen schuld. Een gezamenlijke schuld die wij als mensheid dragen. Niet een individuele schuld die ons persoonlijk belast; maar een gezamenlijke schuld waar iedereen onder lijdt.

Genesis 3:17-19

“En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u gebood: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren.”

Het is de ongehoorzaamheid van de eerste mens die de aardbodem vervloekte en ons sterfelijk maakte, en het is onze ongehoorzaamheid die deze vloek in stand houdt. De mens is sterfelijk en verval deed zijn intrede in de schepping. Generatie na generatie woekerde het verval door in onze genen en in die van de wereld. Zwakheid en verval zit inmiddels ingebakken in elke cel van ons lichaam en het maakt ons ziek. Lichamelijk ziek en geestelijk ziek, ons lichaam en de wereld functioneert niet meer zoals God het bedoeld heeft.

Genesis 1:31 “En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.”

Ziekte, verval en dood was niet hoe God het bedoeld had; onze lichamen waren oorspronkelijk niet kwetsbaar en onderhevig aan ziekte en verval. De wereld was niet vol van lijden en dood, maar de wereld werd het door de keuzes van de eerste mens. En het domino effect werd niet stopgezet bij ons, onze keuzes helpen het om sterker te worden en verder door te zetten.

Psalm 38:3-4

“Er is niets gezonds aan mijn lichaam door Uw gramschap, er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.”

Waarom Heer?

Omdat de aarde en de mensheid een vloek draagt; de mens zich heeft verzet en blijft verzetten tegen God.

Maar we mogen ook vooruit kijken:

Openbaring 22:3-5

“En geen enkele vervloeking zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daar zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen, en zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofd zijn. En daar zal geen nacht zijn, en zij hebben geen lamp en ook geen zonlicht nodig, want de Heere God verlicht hen. En zij zullen als koningen regeren in alle eeuwigheid.”

Het tweede antwoord op de vraag waarom is er echter één die wij wel eens over het hoofd zien en die eigenlijk nog zwaarder weegt.

Probeer je de hemel eens in te beelden; een perfect geschapen omgeving, God zelf is er aanwezig. God zelf én Zijn engelen. En God, in Zijn liefde, zegent ieder schepsel dat bij Hem is. God kent zijn engelen ongekende grootheid toe.

Ezechiel 28:12-16

“U, toonbeeld van volkomenheid, vol wijsheid en volmaakt van schoonheid, u was in Eden, de hof van God. Allerlei edelgesteente was uw sieraad: robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud. Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u. Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed. U was een cherub die zijn vleugels beschermend uitspreidt. Daarvoor heb Ik u aangesteld. U was op Gods heilige berg, u wandelde te midden van vurige stenen. Volmaakt was u in uw wegen, vanaf de dag dat u geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd. Door de overvloed van uw handel vulde men uw midden met geweld, en ging u zondigen. Daarom verbande Ik u van de berg van God, en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub, uit het midden van de vurige stenen. Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig, u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.”

Jesaja 14:12-14

“Hoe bent u uit de hemel gevallen, morgenster, zoon van de dageraad! U ligt geveld op de aarde, overwinnaar over de heidenvolken! En ú zei in uw hart: Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.”

De titels en lofprijzingen die God deze engel geeft zijn prachtig en des te schokkender is de reactie van de engel. Hij achtte zichzelf groter dan God. En God greep in en ontnam deze engel zijn plaats in de hemel. Bedenk je wat een verlies die engel geleden heeft, hoe hij zo gezegend was, niet alleen in hoe God hem geschapen had, maar simpelweg omdat hij bij God mocht zijn. God ontnam hem zijn plaats in de hemel en in plaats van groter te zijn dan God moest hij zijn nederlaag erkennen en werd hij verbannen, neergeworpen; geveld uit de aarde, uit de hemel gevallen.

De gevallen engel en de engelen die samen met hem gevallen zijn raakten vervuld met haat jegens God. Het eerste antwoord dat we net gaven op de vraag ‘waarom’ was ‘omdat het onze eigen schuld is’. Dit antwoord kent de gevallen engel niet. Zijn denkwijze is anders:

U zei in uw hart: IK zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal IK mijn troon verheffen, IK zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde, IK zal opstijgen boven de wolkenhoogten, IK zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.

Ik zal dit en dat; maar niet: Ik heb dit over mijzelf afgeroepen. De gevallen engel legt de schuld bij God en zijn doel is nog steeds om tegen God te strijden. De gevallen engel speelt een schaakspel met God en hij zet al zijn stukken in om God aan te vallen. Maar God deed iets bijzonders; God beperkte zijn spel; Hij zette het sterkste stuk in maar beperkte de macht van deze tot die van een pion; het meest beperkte stuk. En met die pion zette God de gevallen engel schaakmat.

Het zal de gevallen engel en zijn gevallen engelen inmiddels duidelijk zijn; de IK waarop hij roemt, de IK die van alles zou doen, is niet opgewassen tegen IK BEN.

Exodus 3:14

“En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.”

En dat brengt ons weer terug bij de de vraag die we stelden; we vragen ons soms af; Waarom Heer?

Genesis 1:27

“En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”

1 Johannes 5:19

“We weten dat wij uit God voortkomen, terwijl de hele wereld in de macht is van hem die het kwaad zelf is.”

Niet alleen zijn wij ‘uit God voortgekomen’, we zijn geschapen naar Zijn beeld, en we worden opgeroepen om Zijn beeld uit te dragen in deze wereld, de wereld die vervloekt is en in de macht van het kwaad zelf ligt.

Vanaf het begin van de mensheid kijken de gevallen engel en de zijnen toe, ze bestuderen de mensheid en kennen ons van binnen en buiten. Elke keer als ze kijken naar ons zien ze God, niet omdat wij zo machtig of goed zijn, maar omdat wij geschapen zijn als Zijn beelddrager; we zijn pionnen verkleed als koningen. Maar we zijn kwetsbaar, omdat we vanuit ons zelf gezien pionnen zijn; menselijk gezien zijn wij niet opgewassen tegen de hooggeachte maar ter aarde gevallen engel. En satan en zijn volgelingen weten dat en richten hun aanvallen niet meer op God, maar op Zijn beelddragers.

Vergis je niet, het is satan er helemaal niet eens om te doen om je weg te jagen bij God; maar simpelweg omdat jij Gods beelddrager bent haat satan je met alles wat hij heeft. Hij zal alles doen om het beeld van God aan te tasten, te vervuilen, te vernielen en te beschadigen.

Het is zelfs niet zo dat satan zich beperkt tot de mensen die God’s beeld willen uit dragen, de mens in zijn totaliteit is geschapen in Gods beeltenis en daarom zoekt satan manieren om alles en iedereen aan te vallen, daarom zien we zo veel ellende in de wereld en beperkt het zich niet tot Christenen.

Diabolos is grieks voor ’tweedrachtwerper’, vaak wordt het vertaald als duivel; behalve door de Naardense Bijbel, deze noemt de diabolos de uiteenwerper. En dat is waar satan naar zoekt, om ons uiteen te werpen, van binnen uit stuk te maken. Niet eens omdat wij gevaarlijk voor hem zijn, we zijn maar pionnen; maar we herinneren hem aan wat hij verloren heeft.

Waarom Heer?

Omdat satan en de zijnen God haat en wij, als beelddragers, makkelijke te beschadigen doelwitten zijn.

We mogen ons dan ook vasthouden aan de belofte in Openbaring aan de gemeente te Smyrna, die verdrukking kende en beproevingen.

Openbaring 2:10
“Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven de kroon des levens. Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.”

En aan de woorden van Jezus tegen zijn apostelen.

Johannes 16:33

“Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede zult hebben. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.”

En ondanks dat we pionnen zijn en menselijk gezien machteloos staan tegen de gevallen engelen kunnen we ons wapenen tegen dezen.

Efeze 6:11-18

“Bekleed u met de hele wapenrusting van God, opdat u stand kunt houden tegen de listige verleidingen van de duivel. Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten. Neem daarom de hele wapenrusting van God aan, opdat u weerstand kunt bieden op de dag van het kwaad, en na alles gedaan te hebben, stand kunt houden. Houd dan stand, uw middel omgord met de waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid, en de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie van de vrede. Neem bovenal het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen. En neem de helm van de zaligheid en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord, terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeking bidt in de Geest en daarin waakzaam bent met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

Tot slot

De vraag: Waarom moeten wij lijden, of waarom zo veel; is een vraag die we ons ongetwijfeld allemaal wel eens hebben gesteld. Lijden kan ons in diepe dalen brengen, kan ons verwonden en op plaatsen brengen waarvan we denken nooit meer terug te kunnen keren. Het antwoord op de vraag neemt dit niet weg, je bent niet minder verwond als je weet waarom. We moeten dan ook voorzichtig zijn als we deze vragen horen; de wetenschap dat God alles kan gebruiken ten goede is er één van zingeving. Net zoals het antwoord op de vraag ‘waarom’ ons verheldering kan geven; maar het is niet genezing voor de soms diepe wonden die veroorzaakt kunnen worden door het lijden. Verheldering en zingeving zijn belangrijk voor het verwerken van de trauma’s die we kunnen oplopen, maar tijd, zorg en liefde en bovenal een veilige schuilplaats bij de Allerhoogste is wat genezing geeft.

Jesaja 42:3
“Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven”

Mattheus 11:28-30

“Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.”

Psalm 91

“Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u vertrouw ik.’ Hij bevrijdt je uit het net van de vogelvanger en redt je van de dodelijke pest, hij zal je beschermen met zijn vleugels, onder zijn wieken vind je een toevlucht, zijn trouw is een veilig schild. De verschrikking van de nacht hoef je niet te vrezen, ook de pijl niet die overdag op je afvliegt, noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de plaag die toeslaat midden op de dag. Al vallen er duizend aan je linkerzijde en tienduizend aan je rechterhand, jou zal niets overkomen. Open je ogen en zie hoe wie kwaad doen worden gestraft. U bent mijn toevlucht, HEER. Als je mag wonen bij de Allerhoogste, zal het kwaad je niet bereiken,geen plaag je tent ooit treffen. Hij vertrouwt je toe aan zijn engelen, die over je waken waar je ook gaat. Hun handen zullen je dragen, je voet zul je niet stoten aan een steen. Leeuw en adder zul je vertrappen, roofdier en slang vermorzelen. ‘Ik zal bevrijden wie mij liefheeft en beschermen wie met mijn naam vertrouwd is. Roep je mij aan, ik geef antwoord, in de nood zal ik bij je zijn, je bevrijden en met roem overladen, je overvloed geven van dagen. Ik zal je redding zijn.’



Een Bijbelstudie van Roel S.F. Abspoel