Waar is “de Gemeente” in Openb. 4 tot 19?

Waar is de gemeente tijdens de zeven jaar verdrukking, zoals beschreven in Openbaring 4 tot 19? Als zij, die geloven dat er geen opname van de Gemeente is vóór de grote verdrukking gelijk hebben, zou je in het beschrevene in Openbaring 4 tot 19 de Gemeente moeten zien, als wezen op de aarde achtergelaten. We zien echter in deze hoofdstukken de Gemeente wel terug, maar… afgebeeld in de hemel, met Christus!


Johannes zag en hoorde

De Romeinse keizer Domitianus verbande de apostel Johannes naar het eiland Patmos. Het was daar dat Johannes in geest vervoering kwam en het bevel van Jezus Christus kreeg: “Schrijf wat u ziet op in een boek, en stuur het aan de zeven gemeenten: Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea.” (Openb. 1 vers 1) Johannes heeft geschreven wat hij zag en hoorde, en daarna stuurde hij de zeven brieven aan de zeven genoemde gemeentes in de Romeinse provincie Asia, het huidige Turkije.

De inhoud van het boek Openbaring kan worden onderverdeeld in drie secties, gebaseerd op bevel van Christus: “Schrijf nu op

  1. wat u hebt gezien,
  2. en wat is,
  3. en wat hierna zal geschieden.”

(Openb. 1 vers 19)

Wat u hebt gezien

Wat had Johannes net gezien? Hij had een visioen gehad van Jezus Christus, staande in het midden van de zeven kandelaren die de zeven plaatselijke gemeenten voorstellen. (Openb. 1 vers 20) Hier gebeurt het eerste deel: “de dingen die je hebt gezien”.

Wat is

Vervolgens ziet Johannes de dingen uit zijn eigen tijd; de dingen “die zijn”, (oftewel ‘wat is’) in de zeven individuele brieven aan de gemeenten.

Wat hierna zal geschieden

Het ‘toekomstige gedeelte’ vormt dus het grootste deel van het boek Openbaring. (Vanaf hoofdstuk 4 tot aan het einde van Openbaring) Het voorzetsel “na deze” (meta tauta) betekent letterlijk “na deze dingen.” Het wordt driemaal gebruikt, namelijk wat we zojuist zagen, in hoofdstuk 1 vers 19 en verder in hoofdstuk 4 vers 1 waar het twee maal wordt genoemd: Hierna zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel. En de eerste stem die ik als van een bazuin met mij had horen spreken, zei: Kom hier, omhoog, en Ik zal u laten zien wat hierna moet geschieden.”

De toekomst

Hoofdstuk 4 bevat een inleiding, namelijk het openbaren van de troon van God de Vader in de hemel en het nemen van de zeven-gesloten boekrollen door Jezus Christus (hoofdstuk 5). De oordelen van de zegels, ( hoofdstuk 6 en 8 ) bazuinen, ( hoofdstuk 8-9 en 11 ) en schalen ( hoofdstuk 15-16 ) worden vervolgens beschreven. Het oordeel over Babylon wordt uiteengezet in de hoofdstukken 17-18. De tweede komst van Jezus Christus naar de aarde is eindelijk gepresenteerd in hoofdstuk 19-20. Het duizendjarige Vrederijk met daarna het oordeel voor de grote witte troon, gevolgd door de beschrijving van de eeuwigheid sluiten de profetische openbaring af. ( hoofdstuk 20-22 )

De zeven jaren

De hoofdstukken 4 tot 19 beschrijven aldus wat zal plaatsvinden in de zeven jaar voorafgaand aan de tweede komst van Christus naar de aarde.

De vermelding van de Gemeente

De woorden “gemeente” of “gemeenten”, zo prominent aanwezig in de hoofdstukken 1 t/m 3, worden na hoofdstuk 3 niet meer weergegeven tot aan het laatste hoofdstuk, in vers 16 “Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om ulieden dit te betuigen voor de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster.”

Het enkelvoud “gemeente” en het meervoud “gemeenten” samen komen 19 keer voor in de eerste drie hoofdstukken. (hoofdstuk 1 vers 4,11,20 (twee keer); hoofdstuk 2 vers 1,7,8,11, 12,17,18,12, 19; hoofdstuk 13 vers 1,6,7,13,14,22)

Stilte

Er is echter een vreemde stilte betreffende “de gemeente” in de hoofdstukken 4-19. Dat feit is vooral opmerkelijk omdat het contrasteert met de veelvuldige aanwezigheid in de eerste drie hoofdstukken. Een goede reden voor dit fenomeen is de afwezigheid van de ware gemeente in de zeven jaar voorafgaand aan Jezus’ tweede komst. De ware gelovigen van de Gemeente zijn door de Heer Jezus opgenomen (weggevoerd, weggerukt) naar de hemel vóór het begin van de gebeurtenissen van de laatste jaarweek, de laatste periode van zeven jaar.


De gemeente wordt niet genoemd tijdens de zegel, bazuinen,
en schalen oordelen omdat de gemeente niet op aarde is tijdens de uitstorting van deze oordelen.

De vermaning

“Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt”. Dit is een zinsnede die in elke brief aan elke gemeente voorkomt. Elke individuele persoon in elke afzonderlijke plaatselijke gemeente zou de waarheid horen en toepassen die Christus gaf aan alle plaatselijke gemeenten. Zo kan een gelovige in de gemeente van Efeze geestelijk profiteren van wat de Heiland zei tegen de gemeente in Pergamum of in Philadelphia.

Een gelijke, maar andere vermaning

Satan, het beest en de valse profeet zijn de drie belangrijkste vijanden van God en Zijn volk Israël tijdens de periode van zeven jaar. Het beest, het symbool van de militair-politieke dictator van het einde der tijden, zal regeren gedurende 42 maanden, de tweede helft van de periode van zeven jaar. Johannes zei dit over hem: “En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.” ( 13 vers 8 ) Dan vervolgt Johannes met de waarschuwing: “Indien iemand oren heeft, die hore.” (vers 9) Punt! Er wordt geen melding gemaakt van “zegt tegen de gemeente”, wat we tot nu toe elke keer zagen. Als de eerder genoemde Gemeente aanwezig zou zijn in de periode van zeven jaar van de oordelen, waarom dan niet de vermaning specifiek tot hen gericht?


Het voor de hand liggende antwoord is dat de Gemeente niet op aarde is op dat moment.

Wie zijn dan ‘de heiligen’?

In hoofdstuk 13 vinden de volgende zinnen: “En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen” (vers 7) “Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen.” (vers 10) Wie zijn deze heiligen?


Deze heiligen zijn zij, die tot bekering zijn gekomen tijdens
de laatste jaarweek, (de ‘schare die niemand tellen kan’)
nadat de ware gemeente is opgenomen in de hemel,
en zij hebben met hun leven moeten betalen voor hun behoudenis.

De vrouw van het Lam

De Gemeente wordt niet gezien na de hoofdstukken 1-3 totdat de bruiloft van het Lam is besproken. (19 vers 7-8). “Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen.” De gemeente is geroepen als ‘de bruid van Christus’. Het Woord van God gebruikt de metafoor van man en vrouw om de relatie van Jezus Christus met Zijn Gemeente te beschrijven. (zie Efeziërs 5 vers 22-33). “Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en [op] de gemeente.” Zó besluit Paulus de uitleg over het huwelijksleven.


De vrouw heeft zich gereedgemaakt.

De rechterstoel van Christus

We lezen dat zij is gekleed in blinkend en smetteloos fijn linnen. Dit is een beloning; het linnen wordt gedefinieerd als “de rechtvaardige daden der heiligen”. Dit lijkt te verwijzen naar de rechtvaardige daden gedaan door echte gelovigen tijdens hun aardse leven, waarvoor zij voor de Rechterstoel van Christus zijn beoordeeld en beloond. Zo heeft de Rechterstoel van Christus reeds plaatsgevonden in de hemel voordat Hij terugkeert naar de aarde. Alle gelovigen in dit gemeente-tijdperk weten dat ze rekenschap zullen moeten geven voor wat ze hebben gedaan tijdens hun leven. “Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.” 2 Korintiërs 5 vers 10 (zie ook 1 Korintiërs 3 vers 11-15) Omdat de vrouw is beloond vóór de terugkeer van Christus naar de aarde, moest zij opgenomen worden in de hemel vóór deze gebeurtenis.

Christus’ activiteit

De focus van de activiteit van Christus verandert na de hoofdstukken 1-3. In de eerste drie hoofdstukken was het Zijn bediening om in het midden van de zeven gemeenten op aarde (de Gemeente) te zijn. Hij looft, bekritiseerd en corrigeert. In de hoofdstukken 4-19, echter, vinden zijn activiteiten plaats in de hemel. Hij houdt zich bezig met de verzegelde boekrol en de oordelen die daaruit voortkomen.

De Gemeente is afgerond

De Heer Jezus is het levende Hoofd van de Gemeente, Zijn lichaam en Hij bouwt Zijn Gemeente. (Matt. 16 vers 18). Hij is in ons en wij in Hem. Zijn aandacht is op de gemeente gericht. Echter, in de hoofdstukken 4-19, de zeven jaar voorafgaand aan Zijn terugkeer naar de aarde, is Hij bezig met de voorbereiding van de wereld en Israël voor Zijn komst. De gemeente is nu met Hem in de hemel door middel van de opstanding, verandering en opname. Die fase van Zijn scheppende en verlossende doel is afgerond.

24 oudsten

De 24 oudsten hebben een prominente rol in de hoofdstukken 4-19. Ze worden 12 keer genoemd in de hoofdstukken 4 t/m 19. Ze worden voor het eerst genoemd als zijnde aanwezig in de hemel rond de troon van God de Vader “En rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, in witte klederen gekleed en met gouden kronen op hun hoofden.” (Openbaring 4 vers 4)

Wie zijn deze oudsten? Vertegenwoordigen zij engelen of mensen? Drie zaken in hun beschrijving zijn opvallend.

  1. Zij zitten op tronen. Ze staan niet, vliegen niet, of zweven niet. Ooit gelezen dat engelen hebben gezeten in de tegenwoordigheid van God? Geen Schriftvers spreekt daarover. Echter, Jezus beloofde iedere gelovige in de Gemeente: “Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.” (Openbaring 3 vers 21) De “zit”-functie van de oudsten beter past bij mensen; niet bij engelen.

  2. De oudsten zijn “gekleed in witte klederen” (himatiois leukois). Deze woorden worden ook gebruikt voor gelovigen binnen de Gemeente, bijvoorbeeld als de Heer Jezus hen belooft: “Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen” (Johannes 3 vers 5)

  3. De oudsten hebben “kronen” (stephanous) op hun hoofd. Dit zijn kronen ontvangen vanwege prestatie en overwinning. Aan de gelovigen in de gemeente werden deze kronen beloofd. Als bij de Rechterstoel van Christus blijkt dat ons leven Hem waardig was, ontvangen wij kronen. ( Lees meer hierover ) De kroon van rechtvaardigheid, de kroon des levens, de kroon van glorie, heerlijkheid, de onvergankelijke kroon en de kroon van vreugde. Engelen dragen geen kronen, maar gelovigen zullen dat wel doen.


De 24 oudsten kunnen dus gedefinieerd worden als
de vertegenwoordigers van de Gemeente, waarmee
we zien dat de Gemeente dan in de hemel aanwezig is,
vóór de opening van de zegel oordelen.

Zij, die in de hemel wonen

Het beest, de grote militair-politieke leider van de eindtijd, opent zijn mond “tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen” ( Openb. 13 vers 6 ) De Heer Jezus, Die de openbaring gaf aan Johannes, spreekt hier ook over: “verheugt u, gij hemelen en wie daarin wonen” ( hoofdstuk 12 vers 12 ) tegenover “allen, die op de aarde wonen” ( hoofdstuk 13 vers 8 ) en “hen, die op de aarde wonen”. ( vers 14 )


Wie zijn dat: ‘zij, die in de hemel wonen’?
Past deze beschrijving niet goed bij de Gemeente,
die tot woede van het beest van de aarde zijn verdwenen
en daarmee buiten zijn bereik kwamen?

de vraag beantwoord

Waar is de Gemeente dus in Openbaring 4 tot 19? De Gemeente zal met de Heer Jezus Christus in de hemel zijn. Wanneer zal de Gemeente daar heen gaan? De Gemeente zal opgenomen worden vóór de gebeurtenissen van Openbaring 4 tot 19 optreden. Vóór de eerste zegeloordelen die in Openbaring beschreven worden, plaatsvinden. Als we zien naar de wereld om ons heen: hoe ver weg zijn we van die eerste zegeloordelen? Zoals bij een bevalling de weeën steeds sterker worden vóór de eigenlijke geboorte, zo zien we de oordelen in de wereld steeds meer toenemen. We hebben misschien nog maar weinig tijd. Ben jij er klaar voor? Ga jij mee met de Gemeente of blijf je achter omdat je niet op tijd hebt gemerkt dat de Heer in liefde naar jou omzag?






Met dank aan Dr Robert Gromacki

Reacties zijn gesloten.