Gelijkenissen over het Koninkrijk der hemelen (deel 3)

Het mosterzaadje

Matteüs 13:31-32 ’Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.32 Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het volgroeid is, is het groter dan de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogelen des hemels in zijn takken kunnen nestelen’.

vogel in een mosterdboom

In deze gelijkenis is de Heer niet de Zaaier en noch is ‘het zaad’ het Woord van God. Hier neemt ‘iemand’ een mosterdzaadje en zaait het. Zoals de Heer uitlegt is een mosterzaadje erg klein, vergelijkbaar met een stip met een pen gemaakt. Toch kan hieruit een plant komen die zo groot wordt dat hij vergelijkbaar is met een boom. We kunnen hierin verschillende dingen opmerken.

De mosterdplant verspreidt een stinkende geur en veroorzaakt irritatie van de neus en de ogen. Tegengesteld aan de liefelijke geur van het reukoffer voor God. Verdorven mensen gebruiken deze plant om mosterdgas te produceren om hun vijanden mee te doden. De uitdrukking ‘de vogelen des hemels’ verwijst hier naar satanische krachten zoals demomen en slechte engelen.

Efeze 6:12 ‘want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’.

De ‘iemand’ uit deze gelijkenis was de Romeinse keizer Constantinus die in de derde eeuw het Christendom accepteerde en er een (gedwongen) staatsreligie van maakte. Het was in die tijd dat heidense beelden en symbolen Christelijke namen kregen en de mensen bleven deze heidense zaken aanbidden, voorwendend dat zij Christenen waren. Wat keizer Constantinus werkelijk geaccepteerd had en wat hij de burgers van zijn rijk opdrong was het aloude Babylonische religieuze systeem van Nimrod, vermomd met een ‘Christelijk sausje’. Hieruit groeide uiteindelijk de Rooms Katholieke kerk. Het zaadje werd een boom. Een religieuze monstruositeit, wiens armen reiken tot de einden der aarde.

Openbaring 17:1-2. ‘En één van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren, met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben, en zij, die op de aarde wonen, zijn dronken geworden van de wijn harer hoererij’.

Reacties zijn gesloten.