(on) zekerheid over de opname (deel 2)

In 1 Tess 1 vers 10 lezen we: ‘…en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn.’ (zie ook Romeinen 5:9 )

Welke toorn is dat?

Nahum 1 vers 2 een wreker is de HERE voor zijn tegenstanders, en toornen blijft Hij tegen zijn vijanden
Micha 5 vers 14 En Ik zal in toorn en gramschap wraak oefenen over de volkeren die geen gehoor gegeven hebben.
Sefanja 2 vers 2 …voordat over u komt de brandende toorn des HEREN, voordat over u komt de dag van de toorn des HEREN.
Sefanja 3 vers 8 want mijn vonnis is, volken te vergaderen, koninkrijken te verzamelen, over hen mijn gramschap uit te gieten, heel mijn brandende toorn, want door het vuur van mijn naijver zal de ganse aarde verteerd worden.
Romeinen 1 vers 18 Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden

We zien dat ‘de toorn van God’ is voor de goddelozen ; de volkeren en hun koningen, die zich tegen God gekeerd hebben, Zijn ‘tegenstanders’ en ‘vijanden’. De Here God richt Zijn toorn tegen de vijanden, niet tegen Zijn kinderen. 1 Tess 5 vers 9 ‘…want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus’ Deze brief aan de Tessalonicenzen is geschreven aan de ‘kerk’, (1 Tess 1:1) dus aan gelovigen. In de King James version staat er: ‘..but to obtain salvation by our Lord Jesus Christ’ De Willibrordvertaling deelt deze vertaling: ‘..om deel te krijgen aan de redding door onze Heer Jezus Christus’

Maar…

….dit zijn gelovigen; zij hèbben al deel aan de redding door Jezus Christus! Het gaat hier niet om redding van de ziel, maar ‘redding’ van Gods kinderen van Gods toorn. Als (wedergeboren) gelovigen hebben wij deel aan de redding uit de grote verdrukking als God Zijn wraakgerichten over Zijn vijanden uitgiet.

Opgenomen na de grote verdrukking?

De mensen die leren dat de opname van de gemeente gelijkvalt met de tweede komst van de Heer Jezus leggen het zó uit, dat we worden opgenomen, om meteen daarna samen met de Heer Jezus naar de aarde te gaan, zodat de Heer komt met al Zijn heiligen. Naast het feit dat dit behoorlijk onlogisch lijkt is er nog een probleem. Want wat doen we dan met Johannes 14 vers 2 en 3: ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.’

Hoe kunnen wij ‘in het Huis des Vaders’ komen als we meteen mee terug gaan naar de aarde? De belofte van de terugkeer van de Heer Jezus zodat wij bij Hem zouden zijn in de hemel, heeft eeuwen lang treurende harten vertroost en bemoedigd. Als kinderen van God zijn wij hemelburgers. Dat is de plaats waar wij horen! Filippenzen 3:20

De zalige hoop

We gaan nog even terug naar Titus 2 vers 13 ‘….verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus’.

Hoe zou Paulus van ons kunnen verwachten dat wij, levend vanuit die zalige hoop, uitzien naar de verschijning der heerlijkheid van de Heer Jezus, als we eerst door de Grote Verdrukking heen moeten? Wat blijft er over van die zalige hoop als we de beloftes uit Lukas 21:36 – Johannes 14:1-3 en de belofte over de opname in 1 Tessalonicenzen 4:13-18 verliezen? Dan blijft over: vervolging, verdrukking. marteling en tot slot de dood. Een zalige hoop?

Ik verwacht de Heer Jezus Christus met mijn hele hart. Ik zie uit naar het moment dat de bazuin zal klinken en wij opgehaald worden. En voor het Joodse volk en de rest van de wereld zie ik uit naar het moment dat mijn Heer als Koning der koningen openbaar zal worden. Ik weiger mijn ‘zalige hoop’ weg te laten stelen door hen, die de opname van de gemeente wegredeneren.

Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken. Titus 2 vers 11-14

[warning]

Voor alle duidelijkheid

Eind Januari dit jaar schreef ik het topic ‘ontsnappen door de opname’. Daarin schreef ik dat verdrukking bij Christen-zijn hoort, dus dat we niet mogen verwachten altijd gevrijwaard te blijven van verdrukking en vervolging. Nu schrijf ik dat ik verwacht dat de ware gelovigen zullen worden opgenomen vóór de grote verdrukking. Dit lijkt elkaar misschien te bijten, maar er zit een groot verschil tussen verdrukking die van mensen komt (Christenvervolging in Iran, Noord Korea etc) en verdrukking die van Godswege komt. (de wraak van God op de wereld wiens zonde tot de hemel gestegen is en die het offer van de Heer Jezus verwerpt).

[/warning]

Een open deur

De Heer Jezus Zelf beloofde Zijn gemeente in Filadelfia in Openbaring 3:8 ‘Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten..’ Het is deze gemeente in Filadelfia die de belofte krijgt: ‘Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen. ‘ (openbaring 3:10) Precies dezelfde woorden over de geopende deur staan in Openbaring 4:1 en dit is het moment waarop het tijdperk van de gemeente wordt afgesloten en de grote verdrukking begint.

Na deze dingen zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zeide: Klim hierheen op en ik zal u tonen, wat na dezen geschieden moet. Openbaring 4:1

Een getuige in de toekomst

In Openbaring 1 vers 19 heeft de Here de apostel Johannes de opdracht gegeven: ‘Schrijf dan hetgeen gij gezien hebt en hetgeen is en hetgeen na dezen geschieden zal.’ Johannes beschrijft de deur die geopend wordt in de hemelen en hij hoort een stem ‘als een bazuin’ die zegt ‘Klim hierheen op..’ Johannes is op dat moment getuige van de opname van de gemeente!

Op dat fantastische moment zullen de gelovigen hetzelfde zien als wat Johannes zag/ziet: de geopende deur in de hemel, open om hen (ons) te ontvangen. Als de Heer Jezus verschijnt zal Hij worden vergezeld door de engelen, en zeker door de aartsengel Michael, die gesteld is over de lichamen van de gelovigen. (Judas 1:9 en Daniel 12:1-2) Het is deze aartsengel die met luide stem de doden zal roepen. De eerste bazuinstoot zal over de gehele aarde klinken en de doden zullen op de roep van de aartsengel reageren door vanuit hun graven op te staan met verheerlijkte lichamen. (1 kor 15:51) en wij, levenden op dat moment zullen veranderd worden (Filipp 3:20-21) en dan, bij de laatste bazuinstoot, zullen wij in een oogwenk met gejuich door de hemelpoort komen met onze nieuwe verheerlijkte lichamen! (1 Tessalonicenzen 4:13-18)

Een belofte

In Daniel 12:1 vinden we dan ook een enorme belofte: ‘Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden.’

‘Ontkomen’ betekent ‘ergens aan ontsnappen’. Ontsnappen is niet hetzelfde als het in angst en beven doormaken, of ergens voor bewaard blijven. Ontsnappen spreekt van weg gaan, ‘er uit vandaan’! Interessant is de King James vertaling, die de grondtekst hier vertaalt met ‘delivered’. In het Nederlands: ‘afgeleverd’… Ja, zó zal het zijn, wij worden bij de opname van de gemeente netjes in de hemel afgeleverd in een oogwenk en ontkomen zó aan de tijd van grote benauwdheid: de grote verdrukking.

[note]

Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie,
en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.

Openbaring 1 vers 3[/note]