opstanding uit de dood: de Oud Testamentische gelovigen

De opstanding uit de doden

Als je spreekt over de opstanding uit de doden zijn er vele Christenen die dan met blijdschap en verwachting zullen denken aan de opname van de gemeente. Immers, dan zullen de mensen die ‘in Christus Jezus gestorven zijn’ uit de dood worden opgewekt waarna de dan levende kinderen van God worden veranderd en zo zullen beide groepen met een hemels lichaam het hemelse Koninkrijk binnengehaald worden om voor altijd met Christus te zijn. 1 Tessalonicenzen 4:13-18

Een vergeten groep?

Er zijn echter meer mensen die gestorven zijn. Ja, er zijn helaas veel mensen die als ongelovige sterven en zij zullen pas uit de dood worden opgewekt na het duizendjarige rijk, bij het oordeel voor de Grote Witte Troon waar Openbaring 20 vers 11-15 over spreekt. Er is echter nog een andere groep mensen: de gelovigen uit het oude Verbond; zij, die gelovig leefden volgens de wetten en normen die God hen gegeven had, en wiens zonden verzoend werden als de hogepriester voor hen een offer bracht zoals de Mozaïsche wetten het voorschrijven. Zou deze grote groep gelovige mensen nog minstens duizend jaren moeten wachten tot het duizendjarige (Messiaanse) rijk voorbij is?


Bijbels bewijs

Jesaja 26 gaat over de eindtijd, zie vers 9: ‘wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid’ en we lezen vanaf vers 19 dat, als de doden zijn opgewekt, zij zich ‘een korte tijd’ (3½ jaar?) moeten verbergen totdat ‘de gramschap’ over is: ‘Herleven zullen uw doden – ook mijn lijk –, opstaan zullen zij. Ontwaakt en jubelt, gij, die woont in het stof! Want uw dauw is een dauw van licht; en de aarde zal aan de schimmen het leven hergeven. Kom, mijn volk, ga in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u; verberg u een korte tijd, tot de gramschap over is. Want zie, de HERE verlaat zijn plaats om de ongerechtigheid der bewoners van de aarde aan hen te bezoeken; dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken’.

Argwaan over nieuwe inzichten en gedachten

Misschien heb je hier nooit over gehoord of niet eerder bij stil gestaan. Maar de Bijbel spreekt er wel degelijk over. Lees deze studie (een vertaling van een studie van pastor Riley) eens en lees vooral de Bijbelgedeelten erbij. Als Christenen moeten we niet alleen uitzien naar onze toevergadering met Christus, maar we moeten zeker ook het volk Israël in onze gedachten en gebeden houden. Laten we eens zien wat we in de Bijbel kunnen vinden over de opstanding uit de dood van de oud-testamentische gelovigen; Gods volk!

God ziet in de toekomst

Het verbond wat de Here God sloot met David is te lezen in 2 Samuel 7 vers 1-29 (en ook in 1 Kronieken 17 vers 1-27). In de verzen 4-9 van 2 Samuel 7 herhaalt God wat Hij heeft gedaan voor zowel Israël als voor David. In vers 10 zegt de Here God vervolgens: “ Ik zal een plaats bepalen voor mijn volk, voor Israël, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt en boosdoeners het onderdrukken zoals vroeger”. Het is duidelijk dat op het moment dat de Here God deze woorden spreekt, Israël al meer dan vierhonderd jaar in het beloofde land leeft. Toch spreekt de Here God in de toekomstige tijd: ‘Ik ZAL een plaats bepalen’… ‘zodat het op zijn eigen plaats kan wonen’. De Here God die over alle tijden heen ziet, wist dat Zijn volk Hem zou verlaten en over alle volkeren verspreid zou worden. Salomo begon als Godvrezend koning, maar zijn begeerte naar vrouwen leidde hem en zijn volk naar de ondergang omdat zij tot afgoderij vervielen. De Here God belooft het volk dat er in de toekomst een tijd zal zijn waarin het volk zal worden teruggebracht in hun land en ‘boosdoeners het niet meer zullen onderdrukken’en het volk ‘niet meer opgeschrikt wordt’.

God bouwt juist voor David een huis

In vers 11 (2 Samuel 7) zegt de profeet Natan:Ook kondigt de HERE u aan: De HERE zal u een huis bouwen. David wilde voor de Here God een Huis (tempel) bouwen, maar dat mocht hij niet doen. Maar omdat hij het WILDE doen beloofde de Here God juist om voor hem (David) een huis te zullen bouwen. Deze belofte hield in dat de Here God ‘het huis van David’ tot een dynastie maakte over het volk Israël.

Davids zaad, Salomo?

In de volgende twee verzen (2 Samuel 7) belooft God aan David dat na diens dood de Here God aan ‘zijn zaad na hem’, zijn nakomelingen, zijn koninkrijk zal bevestigen. In vers 13 zegt de Here God:Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen. Davids zoon Salomo bouwde inderdaad de Tempel voor God en in 1 Koningen 5 vers 5 lezen we dat hij ervan uitging dat hij de vervulling van deze belofte was. Maar de troon van koning Salomo werd niet voor eeuwig bevestigd. Feitelijk keerde Salomo zich af van God toen hij reeds op leeftijd was. Salomo werd een gedeeltelijke vervulling.

Gods Zoon

Vers 14 (2 Samuel 7) zegt:Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen.’ Dat dit vers refereert aan de Heer Jezus mag duidelijk zijn. Zie Lukas 1 vers 26-33, Johannes 1 vers 14, Johannes 3 vers 16, Johannes 3 vers 18, 1 Johannes 4 vers 9-10 en andere verzen, waarin de Here God de Heer Jezus ‘de Zoon van God’ noemt.

Gods Zoon – zondig?

Het gedeelteWanneer hij ongerechtigheid bedrijft’ roept ongetwijfeld vragen op, tenminste bij mij wel. In 2 Korintiers 5 vers 21 vinden we het antwoord:Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. En vervolgens zegt de profeet Jesaja (53 vers 5):Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Als we dan nog eens teruglezen:tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen’ worden we stil van ontzetting; want wij mensen waren het die de Heer Jezus sloegen en geselden…

Jezus, de Koning der koningen , het zaad van David

In de verzen 2 Samuel 7 vers 11-14 spreekt de Here God tot David over ‘zijn zaad’ en de Heer zegt in vers 14:Ik zal hem voor immer in mijn huis en in mijn koninkrijk aanstellen, en zijn troon zal vast staan voor altijd. Aangezien hier staat ‘voor altijd’ mag het ook hier duidelijk zijn dat de Here God niet spreekt over Salomo, maar eerder over de Heer Jezus Zelf. Het Schriftuurlijk bewijs hiervoor vinden we in Ezechiël 43 vers 1-7 waar Ezechiël een visioen krijgt van de Heer Zelf die de eindtijd tempel in Jeruzalem binnengaat. In vers 6 en 7 spreekt Ezechiël: Toen hoorde ik Hem uit de tempel tot mij spreken, terwijl de man naast mij stond, en Hij zeide tot mij: Mensenkind, (dit is) de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid’. Deze passage in Ezechiël geeft aan dat de Heer Jezus (David’s ‘zaad’) zal regeren over de hele wereld vanaf Zijn troon in de tempel te Jeruzalem gedurende het Messiaanse rijk en dat Hij voor eeuwig temidden van de kinderen Israëls zal wonen.

?

Maar dan gaat het verder… met David zelf!

Dan lezen we verder in vers 16 (2 Samuel 7) en daar staat een wonderlijke profetie waar je zómaar overheen zou kunnen lezen: ‘Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.’ Nadat de Here God gesproken heeft over het nageslacht van David, spreekt Hij verder weer rechtstreeks tot David. Davids familie, Davids koninkrijk en Davids troon zullen voor eeuwig bevestigd zijn met David zelf als hoofd van zijn gezin, regerende over Israël! ‘voor uw aangezicht’ betekent letterlijk ‘in persoon, vóór uw ogen’.

Davids verbazing

2 Samuel 7 vers 18-29 In reactie op wat de Here tot hem had gesproken door de profeet Natan, gaat David in de tabernakel, ‘zet zich neder voor het aangezicht des Heren’ en begint te bidden. David erkent zijn eigen ‘kleinheid’ in vergelijking met de macht en de Majesteit van de Here God. Kijk naar Davids verbazing (vers 19) als hij zegt: En dit was nog te weinig in uw ogen, Here HERE; daarom hebt Gij aangaande het huis van uw knecht ook gesproken over de verre toekomst, en dit is de wet voor de mens, Here HERE. De wet voor de mens: deze uitdrukking betekent ‘de wet, de manier en de principes volgens welke de mens leeft’. David wist dat God hem een belofte had gedaan die totaal tegen de wijze van de mens inging en hij begreep dat de belofte die God hem had gedaan zeer bijzonder was en hij was verbijsterd door de betekenis van wat de Here God hem had beloofd.

David profeteert

In vers 23 geeft David uitdrukking aan het ontzag wat hij voelt op dat moment. David erkende dat de Here God hem en Israël heeft verheven: ‘En wie is gelijk uw volk, gelijk Israël, het enige volk op aarde, dat God Zich tot een volk ging vrijkopen, om Zich een naam te maken, en voor hen grote en vreselijke daden te doen: voor uw land, voor het aangezicht van uw volk, dat Gij uit Egypte, uit de volken en hun goden hebt vrijgekocht?’ Het volk Israël was op dat moment vrijgekocht uit Egypte, maar nog niet vrijgekocht uit de volkeren en hun goden. Dat gebeurde pas in 1948 en is dus op het moment dat David dit zegt, nog toekomst.

Het land als eeuwigdurend bezit

De Here God beloofde eeuwen daarvoor dat Hij aan Abrahams zaad het hele land Kanaän zou geven als een eeuwigdurend eigendom. Genesis 17 vers 8: “Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanaän, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn.” David realiseerde zich dat de Heer Zijn Woord had gehouden en dat Hij Israël tot een grote natie zou maken en… dat Hij David zou aanstellen om over hen te regeren!

1 Kronieken 17 vers 22: “Gij hebt uw volk Israël voor altijd U tot een volk gemaakt, en Gij, HERE, waart hun tot een God.” Zoals het stond in 2 Samuel 7 vers 24 zo wordt het hier een tweede keer gezegd: de natie Israël en het volk zullen voor eeuwig in hun land leven, voor het aangezicht van God. In 1 Kronieken 17 vers 23 tot en met 27 vraagt koning David nogmaals of de Heer hem wil zegenen en hij eindigt met: “nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn.” David vergat nooit meer wat God hem had beloofd, Zijn hele verdere leven werd gevormd door deze beloften van God. David zal opnieuw leven! Psalm 16 vers 9 “Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen”. David weet dat de dood niet het einde is en dat de Here God hem zal opwekken uit de dood.

Een belangrijk profetisch boek

Het boek Jeremia is erg belangrijk in bijbelse profetie, want de Here God sprak uitdrukkelijk tot Jeremia (hoofdstuk 30 vers 2) “Zo zegt de HERE, de God van Israël: Schrijf alle woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek.” Het hele Bijbelboek Jeremia moet dus nauwkeurig bestudeerd worden om inzicht in de profetieën te krijgen.

De wederoprichting van Israël

In Jeremia 30:3 spreekt de Here God over de heroprichting van Israël als één volk en deze profetie werd vervuld in 1948. In de verzen 4 tot en met 7 beschrijft de Heer de moeiten en terreur die op deze heroprichting zouden volgen en Hij zegt in vers 7: (van Jeremia 30) “Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden.” Dit maakt duidelijk dat deze verzen gaan over de Dag des Heren (de grote verdrukking) die te komen staat. In vers 8 belooft de Heer aan Jacob (Israël) dat Hij ‘het juk van hun hals zal verbreken” Dit geeft aan dat de Heer het juk, wat door de antichrist aan Israël wordt opgelegd, op een bepaald moment in de grote verdrukking door de Heer verbroken zal worden. In dit vers belooft de Here ook aan Jacob (Israël) dat Hij “hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten

Christenen die de wereldgebeurtenissen in de gaten houden in het licht van de Bijbelse profetieën zullen weten hoe de landen overal ter wereld Israël onderdrukken vanaf de allereerste dag dat Israël werd uitgeroepen als nieuwe natie. Maar in deze passages lezen we dat er een tijd komt dat geen enkel land of volk ooit nog Israël zal verdrukken.

Mensen van vlees en bloed

In vers 24 (2 Samuel 7) zegt David iets waar makkelijk overheen gelezen wordt. “Gij hebt U uw volk Israël voor altijd bevestigd tot uw volk, en Gij, HERE, waart hun tot een God.” Hier staat dat Israël voor eeuwig een volk voor God zal zijn en dat betekent: mensen, levend in hun natuurlijke lichamen zullen eeuwig in hun beloofde land leven!

Bezwaren

Sommigen zullen reageren met ‘vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.’ 1 Korintiers 15 vers 50 en sommigen zullen zeggen: ‘…die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen.’ Lukas 20 vers 35 Met andere woorden: er zullen geen natuurlijke lichamen zijn in de eeuwigheid!

Maar is dat wel zó?

Ten eerste: het volk Israël beërft helemaal niet het Koninkrijk van God. Het volk Israël beërft het aardse koninkrijk wat de Here God heel lang geleden al aan hun voorvader Abraham beloofde. Genesis 15 vers 7 ‘…om u dit land in bezit te geven’; Genesis 15 vers 18 Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven; Genesis 17 vers 8: ‘Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft, het ganse land Kanaän tot een altoosdurende bezitting geven’.

Dit koninkrijk Israël zal zijn het land Kanaän, wat zich zal uitstrekken van de rivier de Eufraat in het Oosten tot ‘de rivier van Egypte’, de Nijl. Genesis 15 vers 18; Ezechiel 47 vers 13-21; Ezechiël 48 vers 1-35 Dat is dus een nogal groot land wat Israël als ‘eeuwigdurend bezit’ zal verkrijgen! Genesis 17 vers 7-8 Koning David zal hun koning zijn.

Het Koninkrijk van God echter zal alle koninkrijken der wereld omvatten (Openbaring 11 vers 15 ‘Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde’) Hierover, over alle koninkrijken, is de Heer Jezus de Koning der koningen.

Ten tweede: in het Schriftgedeelte in Lukas 20 vers 34-35 vergelijkt de Here de ‘kinderen van deze wereld’ die huwen en gehuwd worden, met de kinderen van de opstanding, die niet zullen huwen. De Heer zegt duidelijk dat de ‘kinderen van de opstanding’ de ‘kinderen van God’ zijn. Maar wie zijn dat? Dat zijn de Nieuw Testamentische wedergeboren gelovigen die zullen opstaan uit de dood en opgenomen worden in heerlijkheid, die een ‘verheerlijkt lichaam’ ontvangen “wat aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt” Philippenzen 3 vers 21 en die als erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus het Koninkrijk van God zullen beërven. (Romeinen 8 vers 17)

    Het verschil

      De hemel: Het zijn de verheerlijkte Nieuw Testamentische gelovigen die niet zullen huwen; de Nieuw Testamentische gelovigen hebben een hemelse bestemming!


      De aarde: Maar Israël is een aards koninkrijk beloofd en zij krijgen het land Israël als eeuwigdurend bezit.

De opstanding van David

Als we de verzen 8 en 9 (Jeremia 30:8-9) overdenken zien we dat de Heer niet stopt bij vers 8; vers 8 en 9 horen bij elkaar in één ongebroken belofte. De gedachte die de Heer uitspreekt in vers 8 gaat door met vers 9: “maar zij zullen de HERE, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal.”? Hier wordt expliciet gesteld dat de Here God David uit de dood zal opwekken om koning over Israël te zijn. Precies zoals de Here God hem beloofde in 2 Samuel 7 vers 16 Want lees nog even vers 7 tot en met 9 en je ziet wanneer dit zal gebeuren: in ‘de tijd van grote benauwdheid voor Jacob’: de grote verdrukking!

We vinden dit ook in Hosea 3 vers 4 en 5 “Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.

En in Ezechiël 34 vers 20 “Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn.

Ezechiël 34 vers 24 “Ik, de HEER, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst. Ik, de HEER, heb gesproken.

We lezen hier helder en duidelijk dat David in de toekomst de ‘herder’ zal zijn die de schapen van Israël zal leiden. Je zou dus kunnen zeggen dat David hun ‘politieke leider’ wordt en in het kader van zijn achtergrond ligt het dan voor de hand dat hij dan opnieuw koning zal zijn.

Deel 1 vervuld; deel 2 komt nog

In Ezechiël 37 ziet de profeet een visioen over het bijeengaren van de Joden, komende vanuit de heidense landen en terugkerend in hun land. In de verzen 15-22 illustreert de Here God Israëls terugkeer met een objectles en we lezen in vers 22: “En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken.” We lezen hier dat Israël één land zal zijn en nooit meer verdeeld zal worden zoals vroeger. (de tien stammen van Israël en de stammen Juda en Benjamin) ? in dit vers staat ook: “één koning zal over hen allen koning zijn”? Hoewel Israël weer één natie is, is het nog een natie zonder koning. En als het eerste deel (Israël weer 1 natie) uitkwam dan mogen we er op rekenen dat het tweede deel (Israël onder een koning) eveneens uitkomt. Hun democratische regering zal worden vervangen door de monarchie; ze krijgen beslist een koning.

Maar..

Wanneer wordt David koning van Israël? Dan kun je eigenlijk net zo goed vragen ‘wanneer zullen de Oud Testamentische gelovigen worden opgewekt’? want dat komt waarschijnlijk op hetzelfde neer… Als David is opgewekt uit de dood zal het niet lang duren voor hij weer koning is. Daniël 11 vers 40 begint met: ‘Maar in de eindtijd…’ en dan loopt alles wat er dan (in de eindtijd) zal gebeuren, door tot in het volgende hoofdstuk:

Daniel 11 vers 45 t/m 12 vers 4

Hij zal zijn staatsietenten opslaan tussen de zee en de berg van het heilig Sieraad – maar dan komt hij aan zijn einde, zonder dat iemand hem helpt. Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos. Maar gij, Daniël, houd de woorden verborgen, en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen.

In vers 45 lezen we dat het paleis van de antichrist “tussen de zeeën” (de oorspronkelijke vertaling is zeeën, meervoud, zie Statenvert 1977: de Middellandse en de Dode Zee) op de heilige berg (Sion, de tempelberg) op, of vlak voor het midden van de grote verdrukking. We kunnen dit weten omdat hoofdstuk 11 vers 40-45 en 12 vers 1-3 in een ononderbroken context staat.

De samenhang en de verklaring “Te dien tijde” waarmee hoofdstuk 12 begint geven namelijk aan dat deze verzen bij elkaar horen. In hoofdstuk 12:1 wordt dit nog eens herhaald “…..in die tijd zal uw volk ontkomen”.

Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos”.

Als we zó de verzen 1 tot en met 3 lezen, kun je gemakkelijk vaststellen dat dit één en hetzelfde moment beschrijft als waarmee hoofdstuk 11 vers 45. beginnen eveneens met het voegwoord ‘en’ ter aanduiding van de een ongebroken context vanaf hoofdstuk 11 vers 45 tot en met hoofdstuk 12 vers 3.

Opstanding

Vers 2 zegt duidelijkVelen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.? Dit spreekt over de opstanding van doden op ‘“Te dien tijde”. Welk moment / tijd is dat? Als we bij de context blijven is “Te dien tijde” dezelfde tijd als waarin de antichrist zijn paleis “tussen de zeeën op de heilige berg” heeft gezet (Daniël 11 vers 45), en dezelfde tijd dat Michael zal opstaan, de grote prins die de zonen van uw volk terzijde staat en dezelfde tijd dat ‘er een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe’

Dit zijn tijd-markeerders. Ze geven duidelijk allemaal aan dat “Te dien tijde” plaatsvindt in het midden van de grote verdrukking. De ‘tijd van de grote verdrukking’ begint dan ook vanaf het midden van de 7 jarige periode. Openbaring 14:6-7

De gebeurtenissen in Daniel 11 vers45 – 12 vers 1-3 gebeuren dus ook in het midden van de grote verdrukking. Hieruit mogen we de gevolgtrekking maken dat de opstanding van David’s volk, de Joden, ook dan zal plaatsvinden. We zien hier dat er een lichamelijke opstanding zal zijn van de Oude Testament gelovigen en ook dat dus koning David dan uit de dood zal worden opgewekt.

Reacties zijn gesloten.